TheorieGevaarherkenningWeersomstandigheden

Weersomstandigheden

Slecht weer vergroot de risico's aanzienlijk. Bij regen wordt het wegdek glad en neemt de remweg toe; verlaag uw snelheid en vergroot uw volgafstand. Bij mist met een zicht onder 200 meter zijn mistlichten voor toegestaan; onder 50 meter mag ook de achterste mistlamp aan. Rijd in mist nooit harder dan u kunt overzien. Bij sneeuw en ijzel kan de remweg tot 10 keer langer worden — rem vroeg en geleidelijk en trek rustig op. Voorbeeld: u rijdt bij dichte mist en ziet ongeveer 40 meter ver. Dan zet u dimlichten en mistlichten (voor en achter) aan en past u uw snelheid zó aan dat u binnen die 40 meter kunt stoppen — in de praktijk vaak ruim onder de geldende limiet. Zodra het zicht boven 50 meter komt, zet u de achterste mistlamp weer uit om het verkeer achter u niet te verblinden. Wees rond 0°C extra alert op zwart ijs, vooral op bruggen en in de schaduw.

Kernregels

  • 1Regen: lagere snelheid, grotere volgafstand
  • 2Mistlicht voor bij zicht onder 200 m
  • 3Achterste mistlamp alleen bij zicht onder 50 m
  • 4In mist: nooit harder dan u kunt overzien
  • 5Sneeuw/ijs: remweg tot 10× langer — vroeg remmen
  • 6Rond 0°C alert op zwart ijs (bruggen, schaduw)

Oefen dit onderwerp

Test je kennis met gerichte CBR-vragen

Start →